Zoals het voor de hand ligt werk van James Lee Burke met je mee naar Texas te nemen, of de vertellingen van Nikolaj Gogol als je naar Sint-Petersburg reist, zo mag ik graag over sigaren lezen als er een bolknak, gran corona of robusto in mijn hoofd prijkt. Dezer dagen kan ik daarvoor mijn toevlucht nemen tot het recentelijk verschenen Rook!, de tweede roman van de genaamde Yves Bondue.
Lezen over het paffen van cubanen is telkens weer een milde en dus zeker niet onaangename vorm van zelfvernedering voor mij, daar werkelijk geen mens er ooit in slaagt om mij zozeer een grove boerenkinkel te doen voelen als juist de sigarenrecensent. Heeft Bondue het bijvoorbeeld, uit de volheid van zijn gemoed, over 'toetsen van geroosterd brood', 'zoetheid als van honing en karamel' en 'plots een zalig en zacht kersenaroma', dan ontwaar ikzelf, terwijl ik een Romeo y Julieta van churchillformaat degusteer, want over die knuppel gaat het hier, toch steeds voornamelijk de smaak van goeie tabak, tenzij ik uiteraard de fijnproever in mij zonder genade van de zweep geef en hem tot het alleruiterste opjut. In dat geval wil het weleens gebeuren, namelijk, dat ik tot het uitgesproken aarzelend voor mij uit mompelen van het woord 'paardenstal' kom.
Een boek uitbrengen dat Rook! is getiteld en op de koop toe op de achterflap poseren met een wild walmende dikkerd in je mondgat, zoals Yves Bondue doet, komt heden ten dage natuurlijk nogal provocerend over. In De Standaard werd enkele dagen geleden een citaat van de 74-jarige Michel Sardou afgedrukt, die zich erover beklaagde dat men binnenkort niet meer zou mogen roken op straat, 'zoals in New York, waar dan wel de coke per kilo wordt verkocht op elke straathoek!' En een en ander mag dan al een tikje stellig uitgedrukt zijn door de Franse zanger en acteur, zijn bekommernis vat wel degelijk de tijdgeest prima samen. In Nieuw-Zeeland droomt men van een levenslang verbod op het kopen én het roken van sigaretten voor elkeen die de pech heeft na 2004 geboren te zijn, maar de – weliswaar illegale – cannabisconsumptie is er, procentueel gesproken, de op acht na hoogste van de planeet. In Nederlandse coffeeshops worden de wiet en de hasj al vele jaren puur gerookt, per pijpje, want tabak is er verboden. De wereld die Willem Frederik Hermans in zijn verhaal De laatste roker uit 1991 beschrijft, waarin het in bezit hebben van een hoogst clandestiene Gauloises-sigaret tot een gruwelijke doodstraf leidt, terwijl keiharde drugs als heroïne zonder problemen door de overheid worden gedoogd, is kortom nog niet de onze – al speelt Hermans' dystopie zich in het jaar 2021 af – maar het begint er zo zoetjesaan wel op te lijken. Nog even geduld, zou ik zeggen. Busje komt zo.
De afgelopen week heeft elkeen aan den lijve kunnen ervaren wat de roker al een jaar of vijftien meemaken moet: hij is niet welkom, noch in het café, noch in het restaurant, hij is de buitenstaander par excellence. Met dat verschil dan dat wij thans allemáál op de stoep staan of op het terras terecht moeten, zonder uitzondering. Dat scheelt toch wel weer, qua gevoel. Ook niet-rokende levensgenieters zijn vandaag de sigaar als het regent bij 7 beaufort.
De invoering van het rookverbod eertijds stond als bekend voor een aanzienlijk deel van de café-uitbaters aan een fatale nekslag gelijk, en al is de gedwongen terrascultuur van heden uiteraard slechts tijdelijk, toch zal ook die, samen met de voorbije lockdown, volgens 'winkelexpert' Pierre-Alexandre Billiet vorige week in Humo drastische gevolgen hebben. Mensen merken immers dat je net zo goed je pilsen in de supermarkt of buurtwinkel kunt kopen om vervolgens in een park of elders op straat te gaan zitten: 'Je bent samen met vrienden, je drinkt gezellig iets, je kunt ook roken.'
God weet dat een wereld met nog minder cafés dan vandaag mij als een kroeg zonder bier wezen zou, maar toch moet ik eerlijk toegeven, niettegenstaande, dat bovenstaande woorden van Billiet erin slaagden om dat oude hart van mij een ogenblikje lang in blijdschap te doen opveren. Plots vond ik meer bepaald dat hemeltergende gezeik over het 'rijk der vrijheid' een pak minder schijnheilig, leugenachtig en bedrieglijk klinken. Zou er straks echt weer kans bestaan op een realiteit, dacht ik, waarin roken doodgewoon is, of althans geen activiteit meer die de beoefenaar ervan, nochtans geen onruststoker, louter en alleen op bitse afkeuring, onverdraagzaam handgewapper en regelrechte uitsluiting komt te staan?
Ach nee, natuurlijk niet: dat zogenaamde 'rijk der vrijheid' – wat heb ik toch een hékel aan die uitdrukking – zal ongetwijfeld op geen enkele wijze voordelig verschillen van het kleffe, zeer benepen kleutertuintje van weleer. Maar de gedachte? Gewoon de gedachte? Wel, die bood heel even troost, zeker. Die vormde echt een opsteker.